Een Leidse jongen

Rembrandt Harmenszoon van Rijn werd op 15 juli 1606 in Leiden geboren in de Weddesteeg, als het op één na jongste kind van Harmen Gerritsz van Rijn, molenaar, en Neeltgen Willemsdr. van Zuytbrouck, een welgestelde bakkersdochter. Het echtpaar kreeg in totaal tien kinderen, van wie er drie jong stierven. Zijn vader was mede-eigenaar van de nu verdwenen standerdmolen De Rijn, waar mout werd gemalen voor de bierbrouwerijen. Voor zover bekend leerden Rembrandts vier broers een ambacht. Van Willem is bekend dat hij bakker was, Adriaen was schoenmaker. Liesbeth was een zuster. Zij zou later Rembrandt onterven, omdat ze vond dat hij zijn eigen Leidse familie erg had verwaarloosd. Rembrandt bezocht de Latijnse school, net zoals zijn vriendje Jan Lievens, en werd op bijna veertienjarige leeftijd door zijn ouders ingeschreven aan de universiteit van Leiden. Waarschijnlijk bleef het daarbij, omdat Rembrandt te kennen gaf dat hij liever schilder wilde worden. Van 1619 tot 1622 was hij in de leer bij de Leidse historieschilder Jacob van Swanenburgh aan de Langebrug 89.

Toen Rembrandt 12 jaar was en nog op de Latijnse School zat, braken in Leiden de Arminiaanse twisten uit. De hoogleraren Gomarus en Arminius debatteerden over predestinatie, het zelfbeschikkingsrecht van de mens. De twisten mondden uit in een Arminiaanse Schans in de Leidse Breestraat, waarbij het gemeentebestuur beschermd moest worden tegen het oprukkende volk. Hij moet daar veel van hebben meegekregen. Net zoals het vertrek van de Pilgrims in 1620 die besloten om het drukke en vrijdenkende Leiden te verruilen voor een nieuw land, ver voorbij de oceaan. Hij was toen 14 jaar toen een groep van 47 op een scheepje vertrokken vanaf het Rapenburg. Het moet veel reuring hebben gegeven in de stad Leiden.

In 1625 vertrok Rembrandt naar Amsterdam om in de leer te gaan bij de toen toonaangevende schilder Pieter Lastman, van wie hij composities leerde opbouwen. Na een leerperiode van een half jaar bij Lastman opende Rembrandt een atelier in Leiden, waar hij veel samenwerkte met zijn vriend, studiegenoot en collega Jan Lievens. Op 14 februari 1628 nam Rembrandt Gerrit Dou als zijn eerste leerling aan. De eerste vermelding van Rembrandt als schilder is te vinden in de Latijnse aantekeningen die Aernout van Buchell in 1628 maakte voor een nooit verschenen schildersboek. In 1630 kocht een neef van Buchell etsen van Rembrandt.

Rond 1630 deelden Rembrandt en Jan Lievens waarschijnlijk een werkplaats. In elk geval beschrijft Constantijn Huygens, secretaris van de stadhouder en kunstkenner, hen als een duo in zijn verslag van een bezoek dat hij omstreeks 1630 aan het atelier gebracht heeft. Huygens zag Rembrandt in ‘trefzekerheid en levendigheid van emoties de meerdere’ van Lievens en bewonderde met name . Hij stond verbaasd dat het duo het zonde van de tijd achtte om een reis naar Italië te maken, waarvoor ze als excuus aanvoerden dat de beste Italiaanse doeken buiten dat land te zien zouden zijn. De twee verspilden geen tijd: ‘Het wonderlijkste is nog dat zelfs de onschuldigste genoegens van de jeugd door hen als tijdverlies worden afgedaan. In 1631 was Rembrandt al zo bekend dat hij verschillende opdrachten kreeg, onder meer van dr. Nicolaes Tulp.