Hieronder zijn de samenvattingen te lezen van de toneelstukken die tijdens de Leidse Rembrandtdagen 2026 te zien zijn:
• De klucht van de molenaar (Locatie: Pieterskerkplein)
• De moord op Richart Teirill’s broer (Locatie: Pieterskerkgracht)
• Door de wol geverfd (Locatie: Rapenburg)
• De drie Rembrandts (Locatie: Gerecht)
• De hele wereld was en is van hem (Locatie: Rapenburg hoek Scheepmakersteeg)
• Het huishouden van Jan Steen (Locatie: Pieterskerkhof hoek Pieterskerk-Choorsteeg)
• Wat knaagt er aan de kudde in Leiden (Locatie: Gerecht)
Samenvatting: “De klucht van de molenaar”
Molenaarsknecht Joost den Draaier introduceert het verhaal dat zich afspeelt bij molen De Put in Leiden.
Joost vertelt direct dat hij een geheime affaire heeft met Aeltje, de vrouw van molenaar Slimme Piet, wanneer Piet ’s nachts gaat palingvissen. Op een avond arriveert Trijntje uit Amsterdam te laat in de stad, waardoor de stadspoorten al gesloten zijn. Trijntje vraagt bij de molen om een overnachting, waarna Slimme Piet haar direct aanbiedt om gratis op de meelzakken te slapen. Piet hoopt hiermee misbruik te maken van haar dankbaarheid en roept zijn vrouw Aeltje om dekens en een kussen te brengen.
Aeltje vertrouwt de zogenaamde gulheid van haar man echter niet en waarschuwt Trijntje dat Piet haar eerbaarheid wil belagen. Om de molenaar een lesje te leren, besluiten de twee vrouwen die nacht stiekem van slaapplek te wisselen. Aeltje overnacht in de molen, terwijl Trijntje in het echtelijke bed van de molenaar gaat liggen. Die nacht keert Piet in het zwart vermomd terug en deelt in de donkere molen onbewust het bed met zijn eigen vrouw.
Ondertussen sluipt knecht Joost naar het huisje om met Aeltje te slapen, maar hij treft daar de luidruchtige Trijntje aan. Joost probeert geschokt te vluchten, maar krijgt een volle nachtspiegel tegen zijn gezicht gegooid en raakt gewond. Tegelijkertijd wordt Piet bij de molen door Aeltje ontmaskerd en met een bezem flink op zijn kop geslagen. Aeltje maakt haar man woedend duidelijk dat de bedrieger bedrogen is en dat hij zijn eigen vrouw heeft beslapen.
Als straf voor zijn ontrouw moet de molenaar de komende maand buiten in het veld slapen. Joost concludeert tot slot dat Slimme Piet uiteindelijk helemaal niet zo slim bleek te zijn.
Samenvatting: “De moord op Richart Teiril’s broer”
Het verhaal speelt zich af op 20 juni 1614 in de straten en een kantoor in Leiden. Tabakpijpmaker Robert Crouts waarschuwt zijn collega Niclaes Claverly dat de Engelse koopman Richart Teiril naar hem op zoek is. Richart verdenkt Niclaes namelijk van de moord op zijn broer Edward, die op 15 april 1605 in Londen om het leven is gebracht. Het motief voor deze moord zou een openstaande schuld van een halve kroon zijn die Edward nog bij Niclaes had openstaan. Niclaes ontkent de beschuldiging woedend en eist een directe ontmoeting om zijn goede naam te zuiveren.
De volgende dag komt Richart samen met Robert aan bij het kantoor van Niclaes, waar zij door diens vrouw Margaret worden binnengelaten. Tijdens de confrontatie confronteert Richart Niclaes rechtstreeks met de openstaande schuld en de datum van de moord. Niclaes geeft de schuld toe, maar weet in eerste instantie niet meer waar hij op die specifieke dag in 1605 was. Margaret schiet te hulp en herinnert haar man eraan dat zij rond die datum de bruiloft van zijn zus bezochten. Niclaes zoekt in een bureaulade en vindt de originele uitnodiging voor de bruiloft, die op 16 april 1605 in Manchester plaatsvond.
Omdat de reis van Londen naar Manchester destijds twee dagen in beslag nam, moesten Niclaes en Margaret al op 14 april zijn vertrokken. Niclaes toont aan dat zij ten tijde van de moord onderweg waren en in een herberg in Birmingham overnachtten. Hij biedt Richart bovendien aan om een lijst met getuigen, waaronder de predikant, te leveren die zijn aanwezigheid kunnen bevestigen. Richart bestudeert het bewijsmateriaal, concludeert dat zijn verdenking onjuist was en biedt zijn excuses aan. Hij belooft de naam van Niclaes overal te zuiveren en vertrekt om zijn zoektocht voort te zetten. Opgelucht besluiten Niclaes en Robert om de volgende dag een officiële verklaring bij de notaris vast te leggen.
Ten slotte vertrekken de mannen naar herberg ‘De Drie Haringen’ om te proosten op de goede afloop en Niclaes’ handige verzameldrang.
Samenvatting: “Door de wol geverfd”
Het toneelstuk volgt de kille drapier Mevrouw Le Rou die de verschillende fasen van de Leidse lakenproductie inspecteert en haar personeel streng toespreekt.
De Verschillende Productiestappen
• Wolwassen: Wolwasser Aagje Bonte stampt met kapotte voeten in een ton met urine (“pies”) om schapenwol te ontvetten. Mevrouw Le Rou toont geen enkel medelijden en beveelt haar om harder te trappen omdat tijd geld kost.
• Kaarden: Kaardster Neeltje Kanbier vraagt om een nieuw kaardplankje omdat de punten zijn afgebroken. Le Rou weigert dit te regelen en dreigt de kosten van haar loon in te houden als ze het niet zelf gaat ophalen bij de Lakenhal.
• Spinnen: Spinster Trijn Wolhuis is diep beledigd omdat de drapier na jarenlange trouwe dienst haar naam niet eens meer weet. Wanneer Trijn haar een verwaande kwast noemt, dreigt Le Rou haar direct naar het spinhuis te sturen.
• Verven: Verfster Griet Lamjo heeft de wol per ongeluk in een bonte ‘ontplofte regenboog’ geverfd in plaats van het gevraagde koningsblauw. De drapier reageert woedend omdat deze fout haar klauwen vol met geld kost.
• Weven: Wever Lijsje Regeer legt uit dat de slechte wolkwaliteit voor oneffenheden zorgt en dat ze nauwelijks kan rondkomen van haar hongerloontje. Le Rou doet haar klachten echter snel af als luie smoesjes en prutswerk.
Het Slot
Aan het einde van het stuk pronkt Mevrouw Le Rou trots over de status van haar gilde en hun geplande groepsportret door Rembrandt van Rijn. Wolwasser Aagje onderbreekt haar schaamteloze verhaal en zet de drapier recht voor het publiek te kijk. Ze adviseert de toeschouwers om deze gezichten straks zelf in het museum te gaan bekijken, waar het beroemde schilderij “De Staalmeesters” hangt.
Samenvatting: “De drie Rembrandts”
In het toneelstuk “De drie Rembrandts” stappen drie versies van de beroemde schilder—op de leeftijden 22, 45 en 60 jaar—uit hun doeken voor een tijdloze ontmoeting. De jonge Rembrandt vraagt zich vol verwachting af of hij in de toekomst succesvol zal worden. Zijn oudere evenbeelden bevestigen zijn latere grootsheid en roemen De Nachtwacht als een absoluut meesterwerk waar koningen en kooplieden om vechten.
Succes en Schaduwzijden
De 60-jarige Rembrandt confronteert zijn jonge versie echter al snel met de harde realiteit die achter de roem schuilt:
• Financiële problemen: Door een enorme koopziekte en een passie voor VOC-rariteiten raakt hij bijna failliet, waarna zijn zoon Titus en partner Hendrikje Stoffels hem moeten redden door bezittingen te verkopen.
• Persoonlijk drama: Zijn aanstaande vrouw Saskia sterft al voor haar dertigste. De relatie met haar opvolgster, Geertje, ontspoort later zo heftig dat hij haar uiteindelijk laat opsluiten in een krankzinnigeninstituut.
• Publieke onbegrip: Het traditionele publiek uit felle kritiek op zijn vernieuwende composities, waardoor hij inziet dat hij niet voor het gepeupel maar voor de eeuwigheid schildert.
De Conclusie
De oudste Rembrandt deelt waardevolle lessen over het belang van tederheid naar geliefden en spreekt zijn spijt uit over het niet afmaken van zijn studies. Samen filosoferen de mannen over een verloren brief van Constantijn Huygens, wat symbool staat voor het pijnlijke verlies van kleine, persoonlijke herinneringen. Zij concluderen dat roem, schulden en herinneringen uiteindelijk verdampen, waardoor alleen het canvas de waarheid bewaart. Hierop keren de drie Rembrandts terug naar hun schilderijen en nemen in slow-motion hun vertrouwde pose weer aan.
Samenvatting: “De wereld was en is van hem”
Het verhaal speelt zich af in het jaar 1656 en toont een dramatisch keerpunt in het leven van Rembrandt van Rijn. Vanwege enorme openstaande schulden bij geldschieters, handelspartners en kennissen dwingt de Amsterdamse insolventieautoriteit een formele boedelafhandeling af. Een veilingmeester en zijn assistent Adriaan komen langs om een uitgebreide inventaris op te maken van al Rembrandts bezittingen voor een openbare veiling. Adriaan leest de grote schuldeisers voor, waaronder Cornelis Jan Witsen en Geertje Dircx, die nog recht heeft op haar jaarlijkse lijfrente. Terwijl Rembrandt zich diep gekwetst voelt door het verlies van zijn “wereld”, proberen zijn partner Hendrickje en zijn zoon Titus de situatie nuchter en bedachtzaam te benaderen.
Tijdens de inspectie worden verschillende exotische curiositeiten stuk voor stuk getaxeerd. Zeldzame VOC-schelpen uit de Indische Oceaan worden geschat op 20 tot 30 gulden per stuk, waarbij Titus opmerkt dat zijn vader er achteraf beter brood van had kunnen kopen. Een opgezette uil uit Midden-Europa krijgt een waarde van 40 gulden, waarna Rembrandt melancholisch vertelt dat het dier de stilte van zijn atelier begreep. Bij een verzameling halfedelstenen van 50 gulden legt de schilder uit dat de stenen voor hem symbool staan voor zware momenten van besluiteloosheid of hoop. Rembrandt probeert stiekem een steen in zijn zak te steken, maar de veilingmeester en Adriaan eisen deze direct terug voor de verkoop.
Vervolgens wordt een Ottomaanse tulband getaxeerd op 100 gulden. Wanneer de veilingmeester deze op zijn hoofd zet, eist een woedende Rembrandt dat hij hem afzet, omdat het kledingstuk voor hem een ontsnapping en verbeelding betekende. Een klassiek beeld van een discuswerper krijgt een geschatte waarde van 150 gulden. Hendrickje herinnert haar man er hierbij scherp aan dat het beeld in elk geval nooit honger heeft gekend, in tegenstelling tot henzelf. Tot slot wordt er een stinkende opgezette marter met een waarde van 70 gulden genoteerd.
De veilingmeester maakt de voorlopige optelsom op en benadrukt dat werkelijk alles verkocht moet worden om de schulden te proberen te dekken. Rembrandt raakt hierop buiten zichzelf van woede omdat de autoriteiten in zijn gekoesterde verzameling enkel een prijs zien. In een vlaag van razernij veegt hij alle officiële papieren van de veilingmeester van de tafel. Uiteindelijk breekt zijn woede en geeft hij huilend toe dat hij de wereld in zijn huis verzamelde uit angst dat zijn eigen wereld anders te klein zou worden, waarna hij stormachtig wegvlucht. Hendrickje kijkt de veilingmeester ijskoud aan en stuurt de mannen het huis uit voordat Rembrandt terugkeert.
Samenvatting: “Het huishouden van Jan Steen”
Het toneelstuk schetst een chaotisch en luidruchtig huishouden waarin volwassenen een twijfelachtig voorbeeld geven aan de aanwezige kinderen. Doedelzakspeler Hans zorgt voor luide muziek, terwijl vader Gerrit ondertussen gul wijn blijft inschenken. Moeder Vrouwtje klaagt dat haar hoofd barst van de herrie, maar oud-oom Jacob praat het drankgebruik goed door te stellen dat er gedronken moet worden waar geleefd wordt. Ondertussen imiteert de jonge Maerten letterlijk het gedrag van de volwassenen door de tabakspijp van zijn grootvader af te pakken. Opa Abraham legt uit dat oud worden vanzelf gaat, maar dat tevredenheid en rust oefening vereisen. Meisje Grietje reageert hierop verbaal scherp dat haar opa dan blijkbaar nog harder had moeten oefenen.
De aangeschoten oom Jacob beweert vervolgens dat kinderen in ieder geval goed hebben gekeken als ze iets verkeerds leren, wat Grietje afdoet als totale onzin. Buurvrouw Lijsbeth komt daarna binnenlopen, pakt een krant en merkt als kritische buitenstaander op dat het in dit huishouden behoorlijk misgaat. Dan treedt de schilder Jan Steen binnen met zijn penseel, doek en ezel. Hij ziet de gezinssituatie als een perfect schandaal en besluit de setting direct te schilderen omdat schandalen met een lijst eromheen beter blijven hangen. Jan Steen schetst de aanwezigen precies zoals ze zijn: van de overmatig schenkende vader en de rokende opa tot de zorgzame moeder. Hij observeert daarbij specifiek hoe de jonge Maerten het slechte gedrag om zich heen kopieert.
Grietje vraagt zich hierop bezorgd af of de kinderen later net zo zullen worden als de volwassenen. Jan Steen waarschuwt dat dit bij pech inderdaad het geval is, tenzij ze deze waanzin op tijd herkennen en zelf logisch nadenken in plaats van enkel nadoen. Na deze opmerking ontstaat er een korte discussie onder de volwassenen over het minderen of volledig afschaffen van alcohol in het gezin. Buurvrouw Lijsbeth blijft ondertussen bij haar standpunt dat het hele huishouden pure waanzin uitstraalt. Aan het einde vraagt Maerten of hij voor altijd in deze houding mag blijven staan, wat de schilder bevestigt. Hans blaast een lange noot op zijn doedelzak, waardoor iedereen ter plekke bevriest in de pose van het schilderij. Jan Steen besluit het stuk met de moralistische spiegel dat mensen eerst lachen en ontkennen dat het er bij hen thuis zo aan toe gaat, onder het motto: “Jong geleerd, Oud gedaan!”.
Samenvatting: “Wat knaagt aan de kudde in Leiden”
Het stuk speelt zich af in Leiden in 1626, waar meerdere rechtszaken plaatsvinden tijdens een pestepidemie.
De Rattenvanger opent met een monoloog over angst, leugens en misbruik van de pest.
De eerste zaak betreft koopvrouw Anna de Rijke, die besmet textiel verkocht.
Een getuige toont aan dat haar dochter stierf na het dragen van een besmette mantel.
De koopvrouw verdedigt zich door te zeggen dat handel handel is, maar wordt schuldig bevonden.
Haar waren worden verbrand en zij wordt een half jaar verbannen uit Leiden.
De Rattenvanger levert commentaar op de moraal en hebzucht van de stad.
De tweede zaak gaat over twee prostituees die een dode klant illegaal hebben begraven.
De pestdokter verklaart dat de man niet aan de pest stierf maar aan een natuurlijke dood.
Toch krijgen de vrouwen tien dagen gevangenisstraf voor het overtreden van de regels.
De derde zaak betreft poortwachter Jacobus Favier, die tegen betaling de stadspoort na sluiting opende.
Hij beweert dat hij handelde uit medelijden, maar wordt schuldig bevonden.
Favier wordt ontslagen, moet zijn verdiende geld terugbetalen en mag nooit meer Leiden betreden.
Tijdens de zitting roept Willemien van Engelen vanuit het publiek dat de pest overdreven wordt.
Zij pleit voor het laten doorgaan van het werk en spreekt over “kudde-immuniteit”.
Ze wordt weggejaagd, waarna de Rattenvanger opnieuw reflecteert op waarheid en ontkenning.
De laatste zaak betreft apotheker Adriana van Foreest, die valse pestmedicijnen verkocht.
Getuigen verklaren dat haar middelen geen werking hadden en dat zij woekerprijzen vroeg.
De rechtbank veroordeelt haar tot een zware boete en verbiedt haar nog langer pestmiddelen te verkopen.
De zitting sluit, waarna de Rattenvanger het publiek toespreekt en stelt dat iedereen misschien wel een rat is.